Alles is technologie: Over nut, noodzaak en de aantrekkingskracht van technologie

We leven in een technologische samenleving. En de ontwikkelingen gaan snel. Zien we die ontwikkeling voldoende terug in ons onderwijs? Van Twaalf tot Achttien toog naar de TU Delft en voerde een gesprek met Marc de Vries, hoogleraar filosofie van de techniek en hoogleraar science education. Een gesprek over technologie en ons curriculum.

Altijd goed om te beginnen met een begripsverheldering. Wat is technologie? En wat is het verschil met techniek? Marc de Vries: ‘Technologie is letterlijk de wetenschap van de techniek, maar zo wordt het zelden gebruikt. Technologie wordt wel beschreven als de toepassing van natuurwetenschappelijke kennis, maar dat vind ik te smal gedefinieerd. Ik zou zeggen: technologie is het bedenken van allerlei nieuwe producten en processen om de maatschappij te verbeteren, het leven van mensen aangenamer te maken. Of langer. Technologie heeft daarvoor kennis nodig vanuit verschillende wetenschappen. Natuurwetenschappen, science, maar ook economie en psychologie. Een product dat geen marktwaarde heeft is een mislukt product. Een brug waar niemand over durft, is een niet-werkend ontwerp. Bouwkundigen moeten erg geïnteresseerd zijn in mensen om een goed gebouw te maken.’ 

‘Beter maken’ is volgens De Vries een drijvende gedachte achter technologie, en ook een fundamenteel menselijke. ‘De mens in de wereld vraagt zich van meet af aan twee dingen af. Op de eerste plaats: wat gebeurt hier, kan ik dat begrijpen? Dat is een onderzoeksvraag. En vervolgens: dit werkt niet lekker, kan ik het beter maken? Dat is een technologische vraag. Technologie is zo oud als de mensheid. Er zijn filosofen die technologie beschouwen als de kunst van het uitbreiden van het eigen beperkte en kwetsbare lichaam. We willen van alles vasthouden, maar we hebben maar twee handen, dus bedenken we potten en pannen. We kunnen best dingen breken met onze handen maar erg sterk zijn we niet. Dus maken we bijlen en messen. Een hert loopt harder dan een mens, dus bedenken we een speer die het dier kan neerhalen. Ons geheugen is beperkt dus ontwerpen we de computer om ons geheugen uit te breiden. Op scholen waar ik wel eens te gast ben stel ik soms de vraag: Denk alles eens weg wat technologie is, wat hou je dan nog over? Bijna niets, want alles is techniek, tot en met de vullingen in je kiezen.’

Morele vragen
Zo oud als technologie is, zo oud zijn ook de morele vragen die technologie met zich meebrengt. Met een vuistbijl kun je een boom omhakken maar ook een andere stam te lijf gaan. Was dat de bedoeling? De Vries: ‘Naarmate die technologie nadrukkelijker in de samenleving aanwezig is en steeds meer ons leven gaat bepalen, dringen die vragen zich op. In sectoren waarin wij de mens echt een hoofdrol toebedachten, doen robots hun intrede. De zorgrobot in de zorg, de zelfrijdende auto. Het roept discussie op. Wat is de mens eigenlijk vergeleken bij de technologie? Enkel een verzameling moleculen, puur materieel? Heeft een mens iets dat de computer niet heeft en nooit zal krijgen? Wat zijn morele implicaties van nieuwe verhoudingen tussen mens en techniek? Is een zelfrijdende auto schuldig aan een ongeluk?’

En dan zijn er natuurlijk nog de gebruikersvragen, waarmee iedereen te maken krijgt. Hoe ga ik met al die technologie om? Wij gebruiken daarvoor de term technological literacy: in staat zijn om in deze technologische samenleving verantwoord te functioneren. 

Geen schoolvak
En dat brengt ons bij het onderwijs. Ondanks het alom tegenwoordig zijn van technologie, is het vakgebied nauwelijks als zodanig terug te vinden op het rooster. Op welke manier komt deze ontwikkeling terug in de doelen van het onderwijs? De Vries: ‘Wij hebben traditioneel technologie nooit een plek in het onderwijs gegeven. We hebben altijd geredeneerd: technologie is een toepassing van natuurwetenschappen dus laten we het in het funderend onderwijs houden op natuurwetenschappen. Er zijn wel pogingen geweest, technologie werd tenslotte steeds belangrijker. Maar het vak Techniek in de basisvorming was geen succes. De praktijk ervan deed weinig denken aan het multidisciplinaire karakter van dit domein (bètavakken maar ook maatschappijleer, geschiedenis, economie). Techniek werd vooral een handvaardigheidsvak, dat niet echt meetelde. Toen scholen werd toegestaan om techniek samenvoegen met vakken als NASK, ging techniek veelal geruisloos op in de natuurkunde les. Er zijn nog wel scholen die het vak aanbieden, en dat zijn vooral de scholen die ook meer aandacht aan ontwerpen geven.’

Wat zijn morele implicaties van nieuwe verhoudingen tussen mens en techniek? Is een zelfrijdende auto schuldig aan een ongeluk?

Mark de Vries

Internationaal wordt inmiddels het concept STEM omarmd: Science, Technology, Engeneering, Mathematics. Sommigen zetten er de i van integrated voor. Het idee is dat wat we in de werkelijkheid ooit uit elkaar hebben gelegd, ook weer bij elkaar moet komen. Daarbij is altijd een agendapunt: breedte versus diepgang. De Vries: ‘Wetenschappen zijn er niet voor niets gekomen. Er zijn momenten dat je verdieping nodig hebt, diepe kennis. Dan zondert een scheikundige of wiskundige zich even af en vergeet de rest van de werkelijkheid. Er zit wel degelijk een ratio achter schoolvakken. Natuurlijk ook met het oog op doorstroom naar hoger onderwijs. Maar als je concrete technologische interventies in de werkelijkheid verricht, moet je dat multidisciplinair doen. Dan moet je elkaar weer kunnen vinden.’ 

Dat ‘elkaar vinden’ wil nog niet zo hard lukken in het voortgezet onderwijs. Is er in het basisonderwijs nog sprake van een zeker holistisch curriculum, de middelbare school maakt daar abrupt een einde aan. De Vries: ‘Zelfs vakken die erg dicht bij elkaar liggen kunnen mijlenver van elkaar opereren. Leerlingen zien dan niet dat de grafiek met x en y bij wiskunde, eigenlijk hetzelfde is als een vraagstuk bij natuurkunde over afstand en tijd. Zo stevig kunnen de schotten staan tussen vakken. Verdieping en focus is goed, maar ik zou er toch voorstander van zijn om ergens in het curriculum werk te maken van integratie. We moeten leerlingen de gelegenheid geven om weer zicht op het werkelijke geheel te krijgen. Feitelijk is dat wat gebeurt bij het Technasium, binnen het vak Onderzoeken & Ontwerpen.’

Curriculumherziening
We staan aan de vooravond van een nationale curriculumherziening. Technologie is daarin niet apart benoemd, waarschijnlijk vanwege het feit dat Techniek destijds als apart vak mislukte. De Vries: ‘Dat is om te beginnen al jammer. Vreemd genoeg is digitale geletterdheid wel apart onderscheiden. Wij hebben er sterk voor geijverd om - in plaats daarvan - over technologische geletterdheid te spreken, dan neem je meer mee dan alleen computers. Ook heb ik met een aantal collega’s in opdracht van de curriculum.nu commissie een rapport geschreven voor de ontwikkelgroepen. Daarin hebben we het belang van technologie toegelicht en de mogelijkheden voor het curriculum aangegeven. Voor elk domein zagen we uitstekende ingangen om technologie in de doelen te betrekken: Mens en natuur, maar ook burgerschap, ook de talen, zelfs sport en spel. Maar onze aanbevelingen landden aanvankelijk niet, we zagen nauwelijks iets terug in de bouwstenen en opdrachten. Natuurlijk hebben we toen aan de bel getrokken en dat heeft ertoe geleid dat in de huidige versie wel meer technologie is terug te vinden in de verschillende domeinen. Maar het leren ontwerpen heeft iedereen nog altijd laten liggen. Een gemiste kans, wat mij betreft.’

Dus is het aan de scholen om hier al dan niet werk van te maken. De ruimte is er om technologie geïntegreerd aan te bieden. Maar het vraagt eigen initiatief en investering van scholen, daarover spreken we in het volgende artikel lector Hanno van Keulen. 

Kijk eens, opa!
De Vries vindt het als gezegd erg jammer dat men niet meer werk heeft gemaakt van een geïntegreerde component op het gebied van technologie. En dan vooral van ontwerpen, nog meer dan van onderzoeken. Misschien dat de ocw-plannen m.b.t. een nieuwe opleidingsstructuur voor leraren hierin wel beweging zal brengen. Onderwijs begint uiteindelijk bij de leraar. De Vries: ‘Ik weet dat we onszelf verplichten om de canon van bestaande kennis over te dragen en dat is ook belangrijk. Maar het leidt er ook toe dat we leerlingen en studenten voortdurend laten onderzoeken wat al bekend is. Waarvan de oplossing voorhanden is en dat weten leerlingen ook: de juiste grafiek staat achter in het boek. Zulke leeractiviteiten motiveren maar heel matig. Bij ontwerpen ligt dat anders, daar komt iets nieuws uit en dat is spannend. Of dat nu een ontwerpopdracht binnen een bètavak is, of binnen een ander vak. Je kunt ook een grammatica laten ontwerpen, of een nieuw economisch stelsel. Maar het nadenken, redeneren, opzoeken, uitzoeken, uitvoeren en dan hopen dat het werkt…, daar gaan leerlingen voor. Ik zeg altijd, dat heeft een hoog opa-en-oma gehalte.

Kijk eens opa, hij doet het!’

adverteer hier? of default ad tonen?

Delen: