Leer geen trucjes, zing een ode

Fijn van mens zijn is dat je niet alles zelf hoeft te bedenken. Dat we een manier hebben gevonden om onze gedachten met elkaar te delen. Geen andere diersoort lukt dat. Een hond kan misschien de gemoedstoestand van een kompaan aanvoelen, een bij kan uitleggen aan haar medebijen waar geurige bloemen staan, maar wat de mens kan – de ideeën van allerlei andere mensen aanhoren en die combineren tot een geheel nieuwe gedachte – dat kan geen ander dier. Alleen ons lukt dat, dankzij de taal.

Mensen hebben grotere hersenen zodat ieder mens op zich ook redelijk goed kan denken in vergelijking met andere dieren. Maar wat ons bijzonder maakt is dat onze gedachtewerelden nog veel groter zijn dan onze hersenpan, en ook gebruik maken van het geestesleven van anderen – zelfs van mensen die al heel lang dood zijn. Dat lukt ons dankzij het feit dat we gedachten tot zinnen weten om te vormen, die zinnen kunnen onthouden en met elkaar kunnen delen. Dankzij de taal hebben we continu de ideeën en de observaties van andere mensen tot onze beschikking.

Taal is gratis

De menselijke geest is een machine die permanent is aangesloten op het internet, een apparaat waarop voortdurend nieuwe apps worden geïnstalleerd. Er is meer. Omdat mensen zinnen kunnen formuleren kunnen ze ook nadenken over hun eigen gedachten: waarom denk ik dat? Is dat wel een logische conclusie? Doe die gedachte me niet ergens anders aan denken? Omdat je gedachten tot zinnen kunt maken, worden die gedachten een soort dingen die je ook buiten jezelf kunt plaatsen om er zo van een afstandje naar te kijken. We maken daardoor niet alleen gebruik van de ideeën van anderen, maar ook van die van onszelf. Bovendien kunnen mensen al die zinnen ook nog eens aaneenrijgen, tot gedichten, tot verhalen, tot betogen. Ze kunnen zo hele werelden maken van taal, voor zichzelf en voor anderen. Werelden die niets kosten, want taal is gratis; werelden die grootser en dieper zijn dan welke andere wereld ook, want taal grijpt meteen in je gedachten in. Die werelden noemen we literatuur.

Laag prestige

Dankzij zijn taalvaardigheid heeft de onbehaarde aap, homo sapiens sapiens, zijn eigen wereld kunnen maken en daardoor de wereld kunnen veroveren. Ziedaar het wonder van de menselijke taal in een notendop. Het is, zou je zeggen, daarom logisch dat de mens nadenkt over de taal en goed zorgt voor zijn taalvaardigheid. Alle schoolvakken zijn natuurlijk mooi, nuttig en interessant, maar het schoolvak dat bij uitstek gaat over wat mensen tot mensen maakt, is daarbij zou je zeggen het mooist, het nuttigst en het interessantst. Helaas schort aan allebei wel wat. Het regent klachten over de taalvaardigheid van jonge mensen. En kennis van wat taal nu eigenlijk is, staat helemaal niet op het programma van de meeste scholen.

Ik kom eigenlijk nooit iemand tegen die niet geïnteresseerd is in vragen als hoe het kan dat kleine kinderen zo moeiteloos hun moedertaal leren.

Marc van Oostendorp

Nu zijn klachten over taalvaardigheid van de jeugd letterlijk van alle tijden. In het oude Rome liepen al heren rond die meenden dat de taal van de jongeren erbarmelijk was. Het heeft waarschijnlijk iets te maken met nóg een wonderlijke eigenschap van de taal: dat ze altijd verandert, dat iedere generatie net weer wat anders spreekt dan de vorige. En dat die vorige altijd geneigd is om die veranderingen negatief te evalueren. Toch lijkt er nu iets anders aan de hand. Het zijn niet langer alleen de knorrige oude mannetjes en vrouwtjes die mopperen; het lijkt er soms nu op alsof iedereen ontevreden is over het taalonderwijs. Het aantal klachten uit het hoger onderwijs over de taalvaardigheid van nieuwe studenten is de afgelopen jaren sterk gestegen. Uit onderzoeken blijkt dat ook leerlingen vinden dat ze weinig leren bij het schoolvak Nederlands en vooral dat de dingen die ze er leren niet erg nuttig zijn – het woord trucjes valt regelmatig in dit verband. Het vak heeft zich daarmee een relatief lage prestige verworven.

Heftig

Het is een bizarre gang van zaken. Het vak dat gaat over het beste wat de mens te bieden heeft hebben we gaandeweg laten verworden tot een bijzaak, iets waarvan bijna iedereen in het klaslokaal alleen maar hoopt dat het zo snel mogelijk voorbij is. Om een oplossing voor dat probleem te vinden, hoeven we volgens mij alleen maar te bekijken waar het precies misging. Vooral in de jaren zeventig, tachtig en negentig werd er een grote slag geleverd rondom het schoolvak Nederlands. Er waren daarbij twee heel duidelijk van elkaar te onderscheiden facties. De ene bestond vooral uit neerlandici aan de universiteiten, die pleitten voor meer taalwetenschappelijke en letterkundige kennis in het schoolvak: de nieuwste inzichten uit het bloeiende vak van de neerlandistiek moesten worden geïntegreerd in de lessen op school. De andere groep pleitte voor grote nadruk op communicatieve vaardigheden; van iedere leerling moest een mondige burger worden gemaakt die door de retoriek kon prikken die over hem werd uitgestort. De strijd tussen deze twee groepen was heftig en is uiteindelijk gewonnen door de tweede groep. Dat was mogelijk ook terecht: het is in onze complexe samenleving heel belangrijk dat leerlingen hun weg kunnen vinden via de taal. Alleen heeft helaas het misverstand postgevat, misschien als gevolg van die bittere strijd, dat aandacht voor het een noodzakelijkerwijs ten koste gaat van het andere. En dat is m.i. een valse oppositie.

Interessant

Juist door vaardigheden aan te bieden zonder kennis, worden die vaardigheden tot ezelsbruggetjes, tot trucjes die je even in de vingers kunt hebben, maar even zo snel weer vergeet. Om een ingewikkeld en subtiel instrument te kunnen gebruiken zoals de taal is het logisch dat je ook iets moet begrijpen van dat instrument. Wie niet alleen een sollicitatiemail willen kunnen schrijven die de huidige personeelsfunctionaris bevalt, maar ook over tien jaar wil kunnen communiceren met de technieken die dan opgeld doen, kan niet volstaan met wat techniekjes. Om flexibel te zijn, moet je begrijpen wat er aan de hand is. Bovendien maakt aandacht voor de wonderen van de taal en de literatuur het vak vanzelf interessanter. Ik kom eigenlijk nooit iemand tegen die niet geïnteresseerd is in vragen als hoe het kan dat kleine kinderen zo moeiteloos hun moedertaal leren, waarom talen voortdurend veranderen en hoezo je iemand met een mooi verhaal kunt betoveren. Als die zaken ook nog eens kunnen helpen een betere, taalvaardigere burger te worden, is er geen reden om ze te weren uit het schoolvak. Integendeel: je leert natuurlijk makkelijker als iets interessant is.

Eerbied

Wat nodig is, is dus om vaardigheden goed te integreren met kennis. Veel taalvaardigheid kan en moet ook bij (andere!) zaakvakken worden bijgebracht: goed lezen en schrijven leren kun je ook bij geschiedenis en biologie. Bij het vak Nederlands leer je daarnaast eerbied te krijgen voor het instrument van de taal. Gelukkig denken inmiddels veel mensen in deze richting. Sommige ideeën van Curriculum.nu zijn op deze manier te interpreteren, net als het werk van de zogeheten ‘meesterschapsteams’ die het universitaire onderzoek dichter bij de school moeten brengen. Er is nog veel werk te doen, maar we kunnen toe naar een dag dat het schoolvak niet langer saai en irrelevant wordt gevonden – maar een ode aan hoe mooi de taal is en hoe fijn het daardoor is om mens te zijn.

adverteer hier? of default ad tonen?

Delen: