Spel is niet wat het lijkt

Spel. We doen het graag, op allerlei manieren. Maar in de onderwijssetting zijn we nog altijd geneigd het niet serieus te nemen. In kleuteronderwijs wordt nog gefröbeld, maar daarna moet het gedaan zijn met dat spel op school. Eerst je huiswerk maken, dan pas gamen. Het is een extraatje, een leuk tussendoortje misschien. En dat is een misvatting.

Er is een groeiende groep onderzoekers zoals hoogleraar psychologie Peter Gray, die stelt dat we spel onderschatten. Dat iedere bioloog je kan vertellen dat dieren spelen om te leren, terwijl we op de plekken die bedoeld zijn om te leren, onze scholen, zo weinig spelen. Misschien komt het omdat spel zo onnozel en onbelangrijk uitziet en tegelijk zo complex is. Spel blijft fascineren, want wat als we de energie en het enthousiasme van gamende kinderen op school hadden? Het bestuderen van spel is een fascinerend spel op zichzelf, een soort spoorzoeken.

Hoe belangrijk is spel voor ons?

Laten we het spoor van spel eens volgen. We beginnen in de Franse Ardèche. Beneden zie je toeristen kajakken, maar hoog boven de rivier staan al duizenden jaren twee eenzame kleine rode streepjes op een rotsblok. In 1994 zag grotonderzoeker Chauvet met twee andere speleologen die oeroude tekens. Nieuwsgierig geworden vonden ze een zwak luchtstroompje dat verried dat er iets onder de oppervlakte school. Het bleek de toegang tot een al tienduizenden jaren verborgen geheim, afgesloten door een aardverschuiving. Ze daalden af en deden de ontdekking van hun leven. Grotkamers met waanzinnige schilderingen. Deze grot van Chauvet bevat fresco’s met neushoorns, bizons, holeleeuwen en mythische figuren. Nog indrukwekkender dan de wereldberoemde 15.000 jaar oude rotschilderingen in Lascaux, waarvan een ontroerde Pablo Picasso ooit zei: ‘Alles wat hierna geschilderd is, is decadentie’.

De grootste verrassing volgde later: de fresco’s bleken 32.000 jaar oud. Niemand had gedacht dat cro-magnon mensen, in een strenge ijstijd, omringd door monsterlijke neanderthalers, holeleeuwen en holeberen, zulke kunst zouden maken.

Als je nadenkt over deze kenmerken begrijp je een opmerkelijke overlap: wat een buikdanseres met een dichter te maken heeft, Rubiks Kubus met voetbal, of een wetenschappelijke uitdaging met een balletvoorstelling.

Rob Martens

Wat laat dit oeroude spoor nou zien? Dat degenen die dit maakten geoefende kunstenaars waren. In 2020 kunnen wij hun kunst moeiteloos herkennen. Kunst die fascineert, raakt en nieuwsgierig maakt, zoals goede kunst altijd doet. Kunst is blijkbaar al vele tienduizenden jaren jaar onmiskenbaar enorm belangrijk voor ons mensen. Waarom zou het nou zo belangrijk zijn?

Spel is overal

Filosofen hadden al opgemerkt dat spel samenvalt met kunst, immers woorden als toneelspel, kaartspel, dansspel, schaakspel, woordspel of muziekspel zeggen dat al. Maar velen verzuchtten dat spel eigenlijk niet te begrijpen viel. Als een spelletje, zoals een voetbalwedstrijd, nergens over gaat, waarom maken we ons er dan zo druk over? Humor is vaak aan spel gekoppeld maar wat is humor eigenlijk? En als het zo onbelangrijk is als het er vaak uitziet, waarom doen we het dan zo veel? Is naar een verhaal luisteren ook een spel? En een gedicht of een wiskundig raadsel? Spel was eeuwenlang een vat vol paradoxen.

Tot 1938. Toen publiceerde Johan Huizinga Homo Ludens. De spelende mens. Voor het eerst werd beschreven wat de diepgang van spel was. Huizinga betoogde dat het verweven is met heel veel van wat we doen en, opmerkelijk genoeg, dat spel ons echt tot mens maakt. Hoe zag hij dat?

Misschien had je niet verwacht in dit artikel in het begin een stukje over grotonderzoekers te lezen. Maar als je tot hier hebt doorgelezen is precies dat gebeurd wat we spel noemen: je werd nieuwsgierig. Nog voordat je er woorden aan kunt geven voel je het, zo stelt Huizinga. Spel lokt dus (denk)activiteit uit, het geeft immers meestal niet de oplossing meteen weg. De bal is rond, de uitkomst is verborgen, de betekenis is verhuld, de inleiding is raadselachtig, de dobbelsteen rolt onvoorspelbaar. Spel geeft geen dorre feiten, het activeert. Het geeft levende kennis. Stel je kijkt naar een spannende krimi, wilt weten wie de dader is. Dan verklapt iemand die de film al gezien heeft: het was de butler! Waarom vind je dat nou flauw? Je wilde immers toch graag weten wie de dader is? In spel heb je ervoor gekozen het jezelf tijdelijk opzettelijk moeilijk te maken. Je wilt zelf nadenken, niet de oplossing al horen. Een spoiler is een spelbederver. Als je erover nadenkt is dat raar. Waarom zou je het jezelf moeilijk maken? Terwijl het nergens om gaat ‘het is immers maar een spelletje’. Waarom houden we zo van actieve inleving, zelf nadenken, exploreren, uitproberen, inleven in een acteur en proberen te voorspellen wat de uitkomst wordt? Vinden we er niets meer aan als we al voor de wedestrijd weten wie er wint? Kortom, waarom activeert spel ons denken zo sterk?

Met dezelfde vraag keek Huizinga naar spelende honden. Ze rennen enthousiast achter een tennisbal aan, terwijl ze goed weten dat ze tennisbal niet kunnen eten. Wat is dat toch? Huizinga benoemde de volgende kenmerken die spelonderzoekers nog steeds gebruiken:

  1. Het spel is vrijwillig, de deelnemer kiest er zelf voor. Huizinga: ‘Alle spel is allereerst en bovenal een vrije handeling. Bevolen spel is geen spel meer.’ Een hond nodigt uit tot spel en kan er zelf voor kiezen te stoppen.
  2. Spelen gaat gepaard met plezier, betrokkenheid en inzet. Vaak met humor, maar ook met ernst. Het is meeslepend, actief en spannend.
  3. De speler heeft zelf het initiatief en speelt zolang het boeiend is. Hij ervaart autonomie, ook al kent het spel veel regels: je geeft je er immers vrijwillig aan over.
  4. Spel dient geen duidelijk extern doel. Het doel lijkt in het spel zelf besloten te zitten, in het proces. Buiten het spel zelf gaat het nergens om. Spel is daarom symbolisch. Huizinga: ‘Spel is niet het gewone leven’.
  5. In spel leef je je, omdat het ‘niet echt’ is, vaak in een rol in.
  6. Spel kent een fysieke of mentale begrenzing, in tijd en plaats. Je weet dat je speelt.

De functie van spel

Als je nadenkt over deze kenmerken begrijp je een opmerkelijke overlap: wat een buikdanseres met een dichter te maken heeft, Rubiks Kubus met voetbal, of een wetenschappelijke uitdaging met een balletvoorstelling. Steeds kies je er zelf voor om je te laten meenemen. Je vergeet de inspanning, vergeet jezelf en je doet het voor je plezier, in een flow, en buiten het spel gaat het nergens om. De inspanning zit bij ons mensen, denkend als we zijn, vaak alleen in het hoofd. Kinderen kijken graag naar poppenspel of toneelspel, zonder uiterlijk waarneembaar veel te doen. Het komt daarmee heel sterk in de buurt van het begrip intrinsieke motivatie. Uit veel onderzoek weten we dat intrinsieke motivatie in onderwijs leidt tot iets heel interessants: diepgaand leren. Doorgronden. Het is het verschil tussen een formule braaf uitvoeren of echt begrijpen wat je doet. En dat vraagt een actieve, diepgaande verkenning. Precies wat je in spel doet.

De beloning zit dus, intrinsiek, in de handeling zelf. De verkenning van Huizinga laat zien dat dagdromen en een fresco schilderen hetzelfde doen: het gaat om verbeelding, nieuwsgierigheid, verkenning, de wil iets te begrijpen. Het is wat je voelt als je gegrepen wordt door een spannende wedstrijd, techniekproject, challenge of raadsel. We zijn er dol op. Spel doordrenkt ons leven.

Een belofte maar ook een lastige consequentie voor onderwijs

De ‘werkelijke’ functie van spel (ethologen noemen dat de ultimate gedragsverklaring) wordt zo steeds duidelijker: het gaat erom dingen echt te leren. Zaken die dus niet nu meteen belangrijk zijn maar die je later misschien nodig hebt. Opties verkennen, zonder een direct nut te verwachten. Koppelen aan wat je al weet. Hoe slimmer dieren zijn, des te meer ze moeten leren. Een krokodil handelt instinctief en speelt niet. Een jonge wolf daarentegen speelt eindeloos want hij moet heel veel leren. Uitproberen en verkennen kun je alleen in de veiligheid waarin je weet dat je fouten mag maken. Dat je iets doet wat nog niet echt is. Het moet dus een beetje onnozel uitzien. Duidelijk maken dat het niet echt is, als een verklede toneelspeler of een kwispelende hond. Als je iets doet om te leren heb je meestal niet direct een resultaat. Je exploreert van alles zonder te weten wat je ooit nodig hebt. Want alleen zo leer je echt. Wie zo naar spel en samen spelende kinderen kijkt begrijpt hoeveel het met leren te maken heeft. Het is wat de natuur heeft bedacht voor ons. We zijn leermachines en willen van nature spelen.

Als spel tot actief denken en leren leidt en aantoonbaar al zo lang belangrijk is, waarom doen we het dan weinig op school? Het probleem is: het is vrijwillig. Je kunt leerlingen dwingen iets van buiten te leren of een boek te lezen, maar niet om het interessant te vinden. Spel kun je bederven, door buiten het spel af te rekenen. Cijfers die meetellen voor het eindrapport of examen. Dan is het geen spel meer. Dan verdwijnen de veiligheid en de speelruimte die spel nodig heeft. Je zult het vertrouwen moeten hebben dat spel en niet af te dwingen verwondering tot actief leren leiden. Je moet dan durven om meer van de interesses van leerlingen uit te moeten gaan en minder van het PTA. Immers: ‘Bevolen spel is geen spel meer’. Het is lastig maar het is de moeite waard om uit te proberen en te verkennen.

Rob Martens is wetenschappelijk directeur van stichting NIVOZ en tevens hoogleraar bij de Faculteit Onderwijswetenschappen van de Open Universiteit. Martens’ specialismen zijn onderwijsvernieuwing, motivatieprocessen en docentprofessionalisering.

 

Leestip

In zijn boek We moeten spelen (2019, NIVOZ) verkent Rob Martens dat raadselachtige spel verder. Binnenkort verschijnt ook het nieuwe boek van Dick van der Wateren, De denkende klas (2020, LannooCampus), dat praktisch laat zien hoe onderwijs met spel en verwondering tot levende kennis kan leiden.

Delen: